Gebouw

Een stukje geschiedenis

Waar zich nu de straat Langebrug bevindt, stroomde in de 15e eeuw een gracht. Aan deze gracht vestigden zich ambachtslieden die werkzaam waren in de opbloeiende Leidse lakenindustrie: spinsters, kamsters, wevers, vollers en ververs. De gracht waaraan zij hun werkplek vonden, kreeg al snel de naam ‘Vollersgracht’. De vollers gebruikten het water uit de gracht om de geweven stoffen in grote kuipen te laten krimpen en vervilten in een brij van ranzige boter, warm water, urine en volaarde. Het afvalwater werd daarna in de gracht geloosd. Tussen de jaren 1604 en 1670 werd de Vollersgracht trouwens overkluisd – waardoor later de naam ‘Langebrug’ ontstond – maar het grachtje bleef nog tot 1965 (!) bevaarbaar. Langs de gracht werden kleine arbeidershuisjes gebouwd van één verdieping met daarop een schuin dak. De oorspronkelijke woonhuizen op wat nu nummer 63 is, zagen er ook zo uit. De kelder onder het huidige pand stamt uit de late Middeleeuwen, en bevat nog de restanten van een oude ‘bornput’. De kelder heeft een tongewelf met in het midden een dragende pilaar.

In de loop van de tijd werd het pand naar boven en naar achteren uitgebouwd. Gaandeweg kreeg het pand, net als zovele panden aan de Langebrug, een voornamere uitstraling_ In de 19e eeuw heeft het zijn huidige vorm gekregen. De statige dubbele voordeur gaf toegang tot een gang. waarin zich de toegang tot de woning bevond. De gang liep door naar achteren en kwam uit in een ruimte die vanaf 1871 tot 1907 in gebruik was als werkplaats van twee opeenvolgende bewoners, vader en zoon Biegelaar, die beiden geweermaker waren. In 1907 werd het pand verkocht aan timmerman Gijsman.

Waarschijnlijk werd het pand na 1907 bewoond door mevrouw A.L. Willink. de kleindochter van de bekende Gerrit Willink van Bennebroek, een van de voormannen uit de Réveil-beweging, die rond de tijd dat hij op Oud-Poelgeest woonde was begonnen met christelijke samenkomsten. Deze kleindochter schiep middels een legaat de mogelijkheid de werkplaats te kopen van Gijsman en te verbouwen tot kerkzaal, zodat de Leidse broeders en zusters van de Broederbeweging (in Nederland werd de beweging ‘Vergadering van gelovigen’ genoemd). waartoe zij ook zelf behoorde, vanaf 1912 ook in de stad konden samenkomen.