Waar nu de Langebrug loopt, stroomde in de 15e eeuw een gracht. Aan deze gracht vestigden zich ambachtslieden die werkzaam waren in de opbloeiende Leidse lakenindustrie: spinsters, kamsters, wevers, vollers en ververs. De gracht waaraan zij hun werkplek vonden, kreeg al snel de naam “Vollersgracht”.
De vollers gebruikten het water uit de gracht om de geweven stoffen in grote kuipen te laten krimpen en vervilten in een brij van ranzige boter, warm water, urine en volaarde. Het afvalwater werd daarna in de gracht geloosd.
Langs de gracht werden kleine arbeidershuisjes gebouwd van één verdieping met daarop een schuin dak. Het oorspronkelijke woonhuis op nummer 63 zag er ook zo uit. Bij een grote renovatie in 1992 bleek dat nog: in de muur op de huidige eerste etage loopt achter het behang nog een schuine balk van het oorspronkelijke dak. De kelder onder het huidige pand is eveneens eeuwenoud. Het heeft de vorm van een tongewelf met in het midden een dragende pilaar.
Tussen de jaren 1604 en 1670 werd de Vollersgracht, die nog tot 1965 bevaarbaar was, overkluisd, waarna in later tijd de naam “Langebrug” ontstond.