In de loop van de tijd werd het pand naar boven en naar achteren uitgebouwd. Bij genoemde renovatie zijn nog resten van funderingen en muren uit vroeger tijd teruggevonden. Gaandeweg kreeg het pand, net als zovele panden aan de Langebrug, een voornamere uitstraling. In de 19e eeuw heeft het zijn huidige vorm gekregen.
De statige dubbele voordeur gaf toegang tot een gang, waarin zich de toegang tot de woning bevond. De gang liep door naar achteren en kwam uit in een ruimte die vanaf 1871 tot 1907 in gebruik was als werkplaats van twee opeenvolgende bewoners, vader en zoon Biegelaar, die beiden geweermaker waren. In 1907 werd het pand verkocht aan timmerman Gijsman. Het is niet geheel duidelijk, of hij er zelf woonde en/of werkte.
Volgens de nog niet gecontroleerde overlevering werd het pand na 1907 bewoond door de kleindochter van de al eerder genoemde Gerrit Willink: mevrouw A.L. Willink.
Zij was degene die middels een legaat de mogelijkheid schiep, de inmiddels tot koetshuis verbouwde werkplaats om te bouwen tot vergaderlokaal, zodat de broeders en zusters van de Vergadering van Gelovigen te Leiden, waartoe zij ook zelf behoorde, ook “in de stad” konden samenkomen.
Daaraan voorafgaande werd het huis met erf en tuin op 1 maart 1912 door genoemde timmerman voor 4.500 gulden verkocht aan de Vereniging “Lokaal Dunne Bierkade te ’s-Gravenhage”, die als rechtspersoon optrad voor de broeders en zusters te Leiden. De koopsom en bijbehorende kosten werden echter wel betaald door de Leidse vergadering en uit de notulen van de vergaderingen van genoemde Vereniging blijkt, dat zij op 1 mei 1965 het volledige beheer met alle verantwoordelijkheden en lasten heeft overgedragen aan de Leidse Vergadering.